Onderzoekers ontwikkelen robotvriendje om kinderen met kanker bij te staan

Onderzoekers ontwikkelen robotvriendje om kinderen met kanker bij te staan

Een onderzoeksteam geleid door het Centrum Wiskunde & Informatica (CWI) in Amsterdam gaat onderzoek doen naar het inzetten van robots om kinderen met kanker emotioneel bij te staan. De robots moeten een persoonlijk, sociaal vriendje voor de kinderen zijn op momenten dat de ouders er niet bij kunnen zijn. Het project ‘Improving Childhood Cancer Care when Parents Cannot be There’ wordt gefinancierd door het KWF Kankerfonds, voormalig Stichting STW (nu: NWO TTW) en het TKI Life Sciences & Health en medegefinancierd door 4 bedrijfspartners. Het project werd eerder dit jaar in gang gezet bij TU Delft; in de zomer en het najaar van 2017 volgen respectievelijk CWI en AMC.

In Nederland zijn ieder jaar ongeveer 800 kinderen onder behandeling voor kanker. Dit is voor hen vaak een stressvolle en angstige ervaring. Behandelingen waarbij familie niet aanwezig mag zijn, bijvoorbeeld vanwege stralingsgevaar, moeten zij alleen doorstaan. De stress die de kinderen hierbij ervaren kan de behandeling bemoeilijken, en kan voor het kind een traumatische ervaring zijn met nadelige psychologische effecten op lange termijn. Het onderzoeksteam wil deze stress verminderen door voor deze kinderen een robotvriendje te ontwikkelen. Deze robot kan altijd bij het kind blijven, ook als de ouders er niet bij zijn. Hij bereidt het kind voor op de medische ingrepen, bepaalt de emotionele toestand van het kind en leidt het kind af met spelletjes en gesprekjes om het verdriet en de angst te verminderen.

“Om dit te realiseren is grensverleggend onderzoek nodig op het gebied van mens-robotinteractie en machine learning,” zegt onderzoeksleider Peter Bosman van het CWI. “Zo moeten op het gebied van het herkennen van emoties bij kinderen nieuwe resultaten behaald worden om onze doelen te realiseren. Ook moet de robot voor het kind interessant blijven, dus zijn gedrag moet aangepast kunnen worden op de behoeften van het kind en moet niet in herhaling vallen.”

Het CWI gaat met bedrijfspartner ASolutions de software trainen met audio en video om de emotionele toestand van het kind af te leiden uit de gezichtsuitdrukkingen, spraak en bewegingen van kinderen. De TU Delft gaat met bedrijfspartners ASolutions, Focal Meditech, Cancer Health Coach en Brocacef vernieuwende mens-robotinteractiesoftware ontwikkelen. Het Emma Kinderziekenhuis AMC (EKZ), het Prinses Máxima Centrum (PMC) en de Vereniging Ouders, Kinderen & Kanker (VOKK) verzorgen de input vanuit de praktijk en zijn nauw betrokken bij het ontwikkelen en testen van de robot. De beide centra gaan de robot testen bij kinderen met kanker en de impact van het robotvriendje op korte en lange termijn meten door de ouders en kinderen te observeren en te vragen naar hun ervaringen.

“We denken dat een persoonlijk, sociaal vriendje het kind door moeilijke periodes kan helpen”, zegt Bosman. “Uiteindelijk geldt dat hoe minder eng die ziekenhuiservaring, hoe beter de uitkomst van behandelingen en hoe hoger de kwaliteit van leven voor het kind.”

Het project ‘Improving Childhood Cancer Care when Parents Cannot be There’ is onderdeel van het STW-KWF programma Technology for Oncology van voormalig Stichting STW en KWF Kankerbestrijding, waarbij het TKI Life Sciences & Health het budget verdubbelt. Het programma daagt technische en medische wetenschappers uit om nieuwe samenwerkingen aan te gaan met elkaar en met bedrijven. Dat moet leiden tot technische innovaties voor de preventie en behandeling van kanker.

Over het Centrum Wiskunde & Informatica (CWI)
Het Centrum Wiskunde & Informatica (CWI) is sinds 1946 het nationale onderzoeksinstituut voor wiskunde en informatica. Het is gevestigd op het Amsterdam Science Park en is deel van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). Het instituut heeft een sterke internationale positie. Ruim 150 wetenschappers doen er grensverleggend onderzoek en dragen de verkregen kennis over aan de maatschappij. Meer dan 30 van de onderzoekers zijn hoogleraar aan een universiteit. Het instituut heeft 24 spin-off bedrijven voortgebracht.