Lymfeklieren in oksel kunnen worden gespaard bij teruggekeerde borstkanker

Lymfeklieren in oksel kunnen worden gespaard bij teruggekeerde borstkanker

Het verwijderen van alle lymfeklieren in de oksel (okselklierdissectie) bij teruggekeerde borstkanker blijkt in veel gevallen overbodig te zijn. De minder ingrijpende schildwachtklierprocedure, die ook bij vrouwen bij wie voor de eerste keer borstkanker is geconstateerd wordt uitgevoerd, kan ook de tweede keer worden ingezet om te onderzoeken of er sprake is van uitzaaiingen. Dit blijkt uit onderzoek van chirurg in opleiding Guusje Vugts uit het Catharina Ziekenhuis, die vorige week aan de Maastricht University is gepromoveerd.

Tot voor kort was het verwijderen van alle lymfeklieren in de oksel de standaard behandeling wanneer een vrouw voor de tweede keer borstkanker krijgt. Het verwijderen van deze klieren leidt echter tot allerlei klachten zoals gevoelsstoornissen, bewegingsbeperking, vochtophoping in de arm (lymfoedeem) en grotere gevoeligheid voor infecties.

Veilige ingreep
Het onderzoek van Guusje Vugts toont aan dat in veel gevallen een nieuwe ‘schildwachtklier’ te detecteren is. De schildwachtklierprocedure is daarom een goed uitvoerbare en veilige ingreep voor patiënten die al eerder in de borst en/of de oksel zijn geopereerd. “Het standaard uitvoeren van de okselklierdissectie, met een grote kans op klachten na de operatie, is dan overbodig”, zegt Vugts. Naar aanleiding van dit onderzoek is in veel ziekenhuizen de procedure al aangepast en is de herhaalde schildwachtklierprocedure als standaard ingevoerd.

De schildwachtklier is de lymfeklier die als eerste lymfevocht uit de borst opvangt, zodat eventuele uitzaaiingen (metastasen) vaak het eerst in deze klier worden aangetroffen. De schildwachtklierprocedure is daarom een geschikte methode om onderzoek te doen naar eventuele lymfeklieruitzaaiingen. Vugts: “Veel mensen denken dat de schildwachtklier – ook wel poortwachtklier genoemd – een bijzondere lymfeklier is, en dat iedereen er maar één van heeft. Maar het is gewoon het eerste ‘poortje’ waar vocht en eventuele kankercellen in terecht komen. Lymfeklieren zijn een soort filter, dus de schildwachtklier is gewoon de eerste lymfeklier van de tientallen die we in de oksel hebben, waar kankercellen in voor kunnen komen.”

Meer radioactieve vloeistof
Bij teruggekeerde borstkanker wordt de schildwachtklier vaak niet in de oksel , maar bijvoorbeeld bij het borstbeen, het sleutelbeen of in de andere oksel gevonden. In haar proefschrift concludeert Vugts dat bij het uitvoeren van de herhaalde schildwachtklierprocedure het wel van belang is dat er meer radioactieve vloeistof wordt gebruikt en dat deze op de juiste plek wordt geïnjecteerd. “Het liefst dichtbij of in de tumor”, benadrukt ze. “Dit vergroot de vindkans van de schildwachtklier.” Bij 80,1 procent van de patiënten uit de studie bleek dat de nieuwe schildwachtklier tumorvrij was en verdere behandeling van de lymfeklieren dus niet noodzakelijk. Bij meer dan de helft (54,1%) van de patiënten in deze studie werd de herhaalde schildwachtklier niet in de oksel gevonden.

Door de jaren heen is de chirurgische behandeling van borstkanker steeds minder ingrijpend geworden. Het sparen van de okselklieren past in deze trend en is voor de patiënt belangrijk, omdat verwijdering van deze klieren leidt tot vochtophoping met allerlei klachten die daar bij horen.

KWF-Kankerbestrijding
36 ziekenhuizen hebben deelgenomen aan de studie waaruit deze uitkomsten afkomstig zijn: de Sentinel Node And Recurrent Breast Cancer (SNARB) studie. 29 van de 36 ziekenhuizen hebben patiëntgegevens geleverd en uit deze groep van 536 patiënten is gebleken dat ook bij vrouwen die een tweede keer borstkanker krijgen, opnieuw een schildwachtklierprocedure kan worden gedaan om vast te stellen of er sprake is van lymfeklieruitzaaiingen. Het onderzoek is mede gefinancierd door KWF-Kankerbestrijding.

De promotie van Guusje Vugts op het proefschrift ‘Challenges in axillary treatment for primary and recurrent breast cancer’ heeft plaatsgevonden op donderdag 16 juni om 12.00 uur aan Maastricht University. Promotor is prof. dr. H.J.T. Rutten van het Catharina Ziekenhuis. Copromotoren zijn dr. G.A.P. Nieuwenhuijzen van het Catharina Ziekenhuis, dr. Adri Voogd van Maastricht University en dr. Sabrina Maaskant-Braat van het MMC.